‘Wij willen een supergespecialiseerd hart- en vaatcentrum’
Precies op de grens van Zuid-Nederland en Duitsland verrijst een nieuw ziekenhuis. Een high tech, cardiovasculair centrum van Nederlands-Duitse makelij. De initiatiefnemers combineren slim de voordelen van beide
landen, ze ‘picken Rosinen’.
Toen het Maastricht UMC en Universitätsklinikum Aachen drie jaar geleden het idee opperden om samen een nieuw ziekenhuis te bouwen, lag de concurrentie daar niet wakker van. Nu de eerste stap is gezet naar verwezenlijking van de plannen, kon daar wel eens snel verandering in komen. Een Europees ziekenhuis op de grens van Zuid-Limburg en Duitsland is heel wel mogelijk, zo becijferde organisatieadviesbureau KPMG in opdracht van beide universitaire ziekenhuizen. Die zetten nu gezwind de volgende stap: eind van dit jaar moet er een businessplan liggen. “Het is een vorm van mindsetting”, zeggen Guy Peeters en Henning Saß, voorzitters van de raden van bestuur van beide ziekenhuizen. “Zie je alleen de hindernissen of denk je in kansen?”
Volle bedden
Twee centra willen de universiteitsklinieken oprichten. Een high tech cardiovasculair centrum en een gespecialiseerd oncologisch centrum voor radiotherapeutische behandelingen. Met dit project willen de ziekenhuizen hun reeds vijfjarige samenwerking op deze terreinen intensiveren, met als uiteindelijk doel een fusie.
De vraag wanneer het nieuwe ziekenhuis haar deuren opent voor patiënten, komt echt nog te vroeg, zegt Peeters. “Eerst gaan we nadenken over de juridische structuur. Die moet in 2009 duidelijk zijn. Op zijn snelst zou het ziekenhuis vier jaar daarna, dus in 2013, in bedrijf kunnen zijn.”
De Euregio waarin zij zich bevinden, bestaat uit bijna 3,9 miljoen inwoners en telt nu ruim dertig ziekenhuizen. Daar komt er dus straks één bij. Beide partners zitten om die extra bedden te springen. Peeters: “Wij hebben nu al een probleem met ons gebouw. We gaan twee nieuwe torens bouwen, die moeten klaar zijn in 2010. Die hebben we echt nodig, ook als we straks een gezamenlijk ziekenhuis hebben. Ons patiëntenaanbod groeit twee tot vijf procent per jaar.”
Saß: “Bij ons geldt hetzelfde. Ook ons gebouw is te klein. In de laatste zes jaar moest het aantal bedden in Duitsland met vijftien procent worden teruggebracht. Al onze bedden liggen vol. Zelfs als wij een deel van onze zorg in het nieuwe hartcentrum onderbrengen, hebben we nog steeds de oorspronkelijke bedden nodig voor andere patiënten en ingrepen. Dus ik denk niet dat wij substantiële reductie zullen krijgen van bedden in elk van de ‘moederziekenhuizen’.”
Om uit de kosten te komen, heeft het nieuwe ziekenhuis een behoorlijk aantal bedden nodig. Maar hoeveel, is nu nog onderdeel van ‘lastige’ berekeningen. Saß: “Wij nemen ongeveer achtduizend hart- en vaatpatiënten per jaar op. Zo’n vijfduizend daarvan gaan we in het nieuwe centrum behandelen. We schatten het aantal bedden tussen de twee- en vierhonderd. Daarnaast zullen we ook poliklinische behandelingen gaan doen.” Het Maastricht UMC denkt ongeveer hetzelfde aantal patiënten naar het nieuwe ziekenhuis te kunnen brengen. Peeters: “Wat we niet willen, is een cardiologisch ziekenhuis zoals er al zoveel van zijn in Europa. Wij willen een supergespecialiseerd, innovatief, hart- en vaatcentrum dat zeer nauw verband houdt met ons onderzoek. Voor ongeveer tien procent mikken we op de meest ingewikkelde, academische gevallen. De rest is hart- en vaatzorg die ook in andere ziekenhuizen in de regio wordt aangeboden.”
Saß: “Daarnaast houden we een deel van de cardiologische zorg in onze ziekenhuizen in Aken en Maastricht. Dat is het deel ‘zorg in de woonomgeving van de patiënt’. Niet iedereen is in staat te reizen voor de zorg die hij nodig heeft.”
Grensverkeer
Bijzonder is de plaats van het eerste Europese ziekenhuis. Er is een plek gereserveerd op bedrijventerrein Avantis dat exact op de gemeentegrenzen ligt van Heerlen en Aken. Omdat bedrijven daar hun gebouwen deels op Nederlands en deels op Duits grondgebied kunnen neerzetten, biedt dat speciale voordelen. Zo is het gebouw waar de directie zetelt bepalend voor het land waar het bedrijf vennootschapsbelasting moet afdragen. Die is in Nederland lager. Daarentegen zijn in Duitsland de mogelijkheden voor afschrijving weer beter, wat gunstig kan zijn voor bedrijven die veel willen gaan investeren. Verder kan een bedrijf dat fysiek op de grens staat, profiteren van het ‘protocol dubbele belastingheffing’: het afdragen van loonbelasting en sociale premies naar twee landen. Doorgaans bouwen werknemers pensioen op in het land waarin ze werken. Onder dit protocol kunnen werknemers die over de grens werken, toch pensioen opbouwen in hun eigen land. Dat maakt grensverkeer een stuk gemakkelijker.
Dat het grensverkeer de nodige verrassingen kan opleveren, hebben Maastricht en Aken al ervaren. Saß: “Zo hadden wij ineens een probleem rondom de dienstauto van onze hart-vaatchirurg. Voor het gebruik van zijn dienstauto moesten wij in Duitsland belasting betalen. Maar hij moest in Nederland ook belasting betalen voor het invoeren van de auto.”
Peeters: “Wij hadden een probleem met de sirenes toen wij een aantal jaren geleden met Belgische ziekenhuizen gingen samenwerken. Als er dan een ambulance uit België kwam, deed de sirene: ie-aa-ie-aa. Maar de Nederlandse wet schrijft voor dat een ambulancesirene drietonig moet zijn: aa-ie-oe-aa. Dus die Belgische ambulance mocht er niet in.” Saß: “Ons hele experiment is dus eigenlijk ook een test voor de flexibiliteit van de twee bureaucratieën.”
Mooi compromis
Toch zijn dit nog maar de kleine problemen. Waar het echt om gaat, zijn de psychologische factoren, weet Peeters: “Je ziet het overal in het bedrijfsleven als twee organisaties samengaan. De harde cijfers zijn altijd het gemakkelijkst. Het gaat om de zachte cijfers. Psychologische argumenten als: hoe denken de medewerkers over de deal en wat denken ze van elkaar?”
De plek van het nieuwe ziekenhuis is dan ook niet alleen gekozen vanuit economische motieven. Saß: “Er zijn ook symbolische redenen. Patiënten uit Aken willen de zorg in hun eigen stad en willen niet naar Maastricht reizen. Omgekeerd geldt hetzelfde. In psychologisch opzicht is het dan gemakkelijker om naar een neutrale plaats te gaan.”
En wat voor patiënten geldt, blijkt ook op te gaan voor personeel én bestuurders.
Saß: “Als je maar twee plaatsen hebt, is altijd de vraag: wie van beide wint het gevecht om de locatie van het nieuwe ziekenhuis? Dit gebeurde bijvoorbeeld toen we het hadden over het nieuwe oncologisch centrum. In onze optiek moest dat natuurlijk in Aken staan. Wij hebben het grootste gebouw en we hebben de technische universiteit.”
Peeters: “In Maastricht zeiden we: ja maar wij zijn beroemd op dit onderzoeksgebied en we hebben hele belangrijke, interessante patiënten.”
Saß: “Daar kwamen we dus niet uit. Maar op het laatst vonden we dit als mooi compromis.”
Een ander lastig punt is de taal die in het Europese ziekenhuis wordt gesproken: Nederlands, Duits of misschien Engels? Saß: “Ik denk een mengsel. De officiële taal van het project is Engels. En de artsen, de verpleegkundigen spreken hetgeen ze van pas komt. Gelukkig verstaan wij elkaar, vice versa.” Peeters: “We moeten de patiënten niet vergeten. Die willen aangesproken worden in hun eigen taal. Waar nodig zullen we met tolken werken. Zeker omdat we niet alleen mensen uit Nederland of Duitsland verwachten, maar ook bijvoorbeeld uit Frankrijk.”
Saß: “Patiënten en familieleden hebben personen nodig die ze kunnen vertrouwen. De eigen taal spreken, maakt daar deel van uit.”
Rozengeur en maneschijn
Het grootste probleem dat nu opdoemt, lijkt de beloning van het personeel te zijn. Saß: “Als je er op een naïeve manier naar kijkt, lijkt Nederland een paradijs. Met veel geld, korte werktijden. Geweldig. Er zijn dokters bij ons die graag een jaar in Maastricht willen werken omdat ze daar meer geld denken te verdienen. Zo zal iedereen wel zijn voordeeltjes vinden. We moeten heel voorzichtig zijn in hoe we dit organiseren, zodat mensen niet alleen ‘Rosinen picken’.”
Peeters en Saß denken dat de salarissen zich uiteindelijk wel zullen uitmiddelen. Maar in het begin zal het zo zijn dat Duitsers onder de Duitse regelgeving werken, en Nederlanders onder de Nederlandse.
Ook voor de financiering van de gebouwen is het gunstig om midden op de grens te zitten. Een ruwe schatting van de kosten komt op tweehonderd miljoen voor het cardiologisch centrum en honderdvijftig miljoen voor het oncologisch centrum. De ‘moederziekenhuizen’ denken gebruik te kunnen maken van de voordelen van beide verzekeringsstelstels. In Nederland moeten ziekenhuizen vanaf volgend jaar de kosten van de gebouwen, de kapitaallasten, terugverdienen met de zorg die ze leveren. In Duitsland ligt dat anders. Saß: “Duitsland heeft een dualistisch model van financieren. De overheid draagt zorg voor de financiering van de gebouwen en de zorgverzekeraars financieren de rest.”
Daarnaast mag in Duitsland winst uit de zorg worden uitgekeerd aan aandeelhouders. Het aantal private ziekenhuizen maakt daar al zo’n vijftien procent uit van het totaal. In Nederland mag dat nog niet. Minister Ab Klink kan binnenkort besluiten dat dit vanaf 2012 mag. Peeters: “Dat kan helpen, maar het is nog niet zeker of dat de weg is die wij willen inslaan. We gaan ons eerst beraden over de vraag hoe zelfstandig we willen zijn.”
Volgens Peeters en Saß tonen particuliere investeerders op dit moment bijzonder veel interesse in het eerste Europese ziekenhuis. Saß: “Ik denk dat het een aantrekkelijk project is, niet alleen voor investeerders, maar ook voor de politiek en voor medische bedrijven. Het is ook symbolisch om partner te zijn in het eerste Europese ziekenhuisinitiatief.”
De eerste partner hebben Peeters en Saß al binnengehaald. Peeters: “We hebben net een ‘letter of intent’ getekend met Philips. Hiermee gaan we een partnerschap aan voor de ontwikkeling van nieuwe apparatuur, nieuwe technologieën en behandelmethodes. We willen bijvoorbeeld een gezamenlijk onderzoeksprogramma opzetten op het gebied van medische beeldvormende technieken.”
Toch waken de initiatiefnemers voor te veel enthousiasme. Peeters: “Nu lijkt het alsof er geld genoeg is. Iedereen ziet mogelijkheden.” Saß: “Dat komt ook doordat we nog in het aangename stadium zitten van grote beloftes, alles is nog rozengeur en maneschijn, de problemen zijn nog niet duidelijk aan de oppervlakte gekomen.”
In de achtertuin
Als het ziekenhuis er straks staat, zal het de concurrentie aangaan met grote cardiovasculaire centra in bijvoorbeeld Leipzig, Dresden en Parijs. Maar ook regionaal zal de strijd om hartpatiënten losbranden. Op dat gebied zijn er meer grote ziekenhuizen in de regio. Neem bijvoorbeeld Orbis medisch centrum in Heerlen met zevenhonderd bedden, dat het Europese ziekenhuis straks praktisch in de achtertuin krijgt.
Het doet de ziekenhuisdirecteuren goed te merken dat collega-bestuurders in de regio inmiddels wat minder rustig slapen. Peeters: “Ik merk dat ze zich beginnen te realiseren dat ons nieuwe ziekenhuis ook voor hen consequenties zal hebben.” En hoe voelt het dat er beweging in de markt komt? Peeters: “I love it. It feels good!” •
Wat vinden de zorgverzekeraars eigenlijk van het Nederlands-Duitse initiatief? Lees de reacties op zorgvisie.nl onder inhoud september-nummer
Kader bij artikel: MAASTRICHT UMC
Ruim 26.000 opnames per jaar
715 bedden
Omzet in 2007: 335,2 miljoen euro (voor patiëntenzorg, exclusief 51,9 miljoen euro voor onderwijs, onderzoek en overige opleidingen)
Universiteitskliniek Aken
45.000 patiënten per jaar
1480 bedden
Omzet in 2007: 239 miljoen euro (voor patiëntenzorg)
Beide ziekenhuizen maakten in 2007 winst.*
* Deze cijfers zijn niet honderd procent vergelijkbaar in verband met het verschil in systematiek en rapportageverplichting in beide landen.
Auteur(s): Carina van Aartsen
Bron: ZorgVisie , jaargang 38 , nummer 9 , datum 1-9-2008